Het Bos

Ik zat erover na te denken om naar het bos te gaan. Wat een goed plan was me dat. Ik voerde mijn plan terstond uit en vertrok. Ik maakte een kleine omweg om de hond van vrienden op te pikken en snorde richting bos.

Het regende. Met verkeerde schoenen voor een regenachtige boswandeling, korte broek en hemd met korte mouwen, kwam ik aan in het bos. Of ik daar met de auto of motor met zijspan aankwam, laat ik aan jouw fantasie over. Misschien was het zelfs een ander voertuig. De hond, laten we hem Charlie noemen, sprong in het rond van blijdschap. Hij hoorde een tak die brak. Rennen. Dan weer terug naar mij. Charlie is een trouwe hond, maar ook erg opmerkzaam. Hij begreep dat ik niet alleen in het bos wou zijn. Dat wil hij evenmin. Ik zeg steeds hij, maar Charlie is een vrouwtjeshond. Voor mij werkt dat het makkelijkste, alle honden zijn hij en alle katten zijn zij. 

Aangezien het in Vlaanderen regent tijdens alle seizoenen, maakt het niet zoveel uit of het nu lente of herfst was tijdens onze wandeling. Goed, ik wandelde, maar Charlie rende steeds heen en weer, dus ik denk dat het voor hem een rennering was. Als honden kunnen glimlachen, dan is het dat wat Charlie de hele tijd deed, of er nu een stok in zijn mond zat of niet, lachen deed hij.

We zagen heel wat zo samen, Charlie en ik. Er waren paddenstoelen die zodanig gedetailleerd waren uitgehouwen uit de natuur, dat er wel kabouters aan te pas hadden moeten komen, kan niet anders. Charlie snuffelde er voorzichtig aan, maar begreep ook hoeveel werk hier ingestoken was, dus raakte ze niet aan. Even zag ik binnenin een van die paddenstoelen iets bewegen, maar ik keek snel weer weg, dit was niet het moment om aardmannetjes te ontdekken, het regende tenslotte. 

Doorwandelend zag ik een blaadje van een boom vallen, mijn blik rustte net op het uiteinde van het steeltje van dat blaadje toen het loskwam. Dwarrel. Dwarrel. Dwarrel. En toen, wind, een klein beetje maar, net genoeg om het blaadje weer omhoog te doen gaan. Het was een erg mooi blaadje, erg deftig ook. Aan zijn uiteinden had het een vurig rode kleur, ook bij het steeltje. Iets meer naar binnen werd het al bijna zo oranje als een mandarijn, maar toch zou je het nog rood noemen denk ik. Nog iets verder geel en dan uiteindelijk donkergroen, durf ik zeggen, metallic groen? Hoe kon dat nu? Ah, een spinnenrag, precies in het midden. De combinatie van het rag met een druppel goed uitgekozen regen, maakte het zo. Zo mooi. Ik beschrijf dit nu wel zo uitgebreid, maar ik had natuurlijk niet de tijd op dat moment om er zo lang naar te kijken. Dwarrel. Dwarrel. Weer wind en een blaf. Charlie had het ook gezien en keek me aan met de blik van een blaadjeskenner. We volgden zo samen het parcours van het blaadje dat langzaam steeds lager dwarrelde. Soms werd het ondersteboven gekeerd door een in-de-weg-hangend twijgje, maar steeds herstelde de bovenkant zich naar boven en de onderkant naar beneden. Na wat op een revue van tweeënhalf uur leek, landde het blaadje op de al even kleurrijke bosgrond. Blaf

Het blaadje in alle rust achterlatend, liepen we door. Charlie liet intussen de stokken en takken aan hun lot over en leek iets op het spoor te zijn. Niet rennend, maar wel fervent, snoof en jaagde hij tussen de struiken die weelderig onder de bomen groeiden. Een rood mutsje popte en wiebelde af en toe tussen de bovenkant van het gewas uit. Ik riep Charlie terug en legde hem uit dat het dus vandaag de dag niet zou zijn, het regende tenslotte. Charlie begreep het, keek nog een keer spijtig om naar de struiken en richtte toen zijn aandacht op een grazende koe. Het rode mutsje stond bevend en hijgend stil, boog eerbiedig en verdween. 

Zo maakten Charlie en ik tal van bijna-avonturen mee. Gelukkig bleven ze uit, een boswandeling heeft genoeg om over te schrijven zonder ontdekkingen die heisa en gedoe met zich meenemen. Soms blijven de dingen, inclusief wat we wel en niet weten, beter zoals ze zijn. De koe loeide op z’n koeis. Charlie vond het best en liep verder. Ik sjokte erachteraan, mijn tenen intussen nat en koud, mijn slippers volhardend en glibberig. Ik ben die dag twee keer gevallen. Eén keer door de onverwachte reactie van een gladde boomstronk waar ik zomaar op sprong en de andere keer toen ik mijn slipper aan het einde van de wandeling uitklopte tegen de voorband van mijn voertuig, terwijl ik op de andere voet, en slipper, balanceerde om niet rechtstreeks met blote voet in de modder te hoeven staan. Pardoes. Ik gleed uit de grondslipper, kon me niet op tijd ergens vastgrijpen en raakte uit balans. De uitklopslipper vloog weg, mijn broek was drie seconden later besmeurd en nat en Charlie rende achter de slipper aan. De grondslipper was nu een ondergronds schoeisel geworden dat ik na veel getast en gelach weer terugvond. De deken die ik gebruikte om Charlie mee af te drogen alvorens hem in de auto te laten, kon ik nu net zo goed gebruiken om op te zitten, zodat ik de zetel niet heel erg vuil zou maken. Lap, nu weet je het voertuig, weg mystiek en geheimzinnigheid.

Dan maar weer naar huis.

Leave a comment

Blog at WordPress.com.

Up ↑